‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wie sou, dit siende, niet vernoegen, en verblijden!
Verblijden met sijn God, die in dit Paradijs
Een vreughd ons gunt en geeft op allerhande wijs.
Meyster noemt hier Nimmerdor een paradijs. In zijn tijd was dat nog niet zo, maar er loopt inmiddels langs het bos Nimmerdor een weg die de “Paradijsweg” heet.
Kennelijk vonden Meyster, en ook anderen na hem, het belangrijk te laten weten dat Nimmerdor als een paradijs was. Maar waarom, wat betekent de vergelijking met het paradijs in het gedicht Nimmerdor?
Het woord ‘ paradijs’ kon in de tijd van Meyster meerdere betekenissen hebben. In de bijbel is het paradijs een lusthof, de plek waar Adam en Eva woonden voor ze uit het paradijs verdreven werden. Maar ook de hemel, de plek waar God en de engelen wonen. En tijdgenoten van Meyster hadden het ook vaak over een ‘aards paradijs’: een plek op aarde waar het net zo fijn was als in het hemelse paradijs. Omdat het woord meer dan één betekenis kon hebben, is het dus maar de vraag wat Meyster ermee bedoelde.
Verbeelden
Opdracht 1: [NOG AANVULLEN]
Verklanken en vertalen
Verbinden
Het bijbelse paradijs
T is Nimmerdor rontsom, &c.
Beneên, en over al, van niemand te benijen,
Een Edon voor den mensch; mits m’ in haer ommeswier
Daer wandelende schept een Edonsche playsier.
- stap 1: Het hemelse paradijs werd in de bijbel ook ‘Eden’ genoemd, en die naam gebruikt Meyster hier ook. De tuin Nimmerdor is als “een Edon voor den mensch”. Maar alleen op voorwaarde dat [=mits] men er “in haer ommeswier [=al bewegend]/Daer wandelende schept een Edonsche playsier [=plezier, genoegen]”. Wat zou “Edonsche playsier” kunnen zijn, als je weet dat in de bijbel onder andere dit staat over het paradijs: “Ende Godt hadde vanden beghinne gheplant een Lust paradijs, waer in hy ghestelt heeft den mensch die hy ghefatsoent hadde. (Gen. 2:8, Moerentorfbijbel).
- stap 2: Meyster schrijft ook dat Nimmerdor is “vol van hemelsche geneught, vol aerdsche leckernijen.” Zijn aardse lekkernijen en hemelse genot hier hetzelfde, denk je?
- Meyster schrijft in Nimmerdor ook dat de tuin als paradijs “een vyand van het quaet [=kwaad]” is, en een “tegen-gift voor snoode guyterijen [sluw, gemeen gedrag]”. Welke functie heeft het hemelse paradijs hier?
Het klassieke paradijs
T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo steets doorgroent door all’ haer leden, en partijen,
Als ‘t Elyseesche veld, daer men van ouds af songh,
Dat voor geen Helden oyt het minste groen vergongh.
- stap 1: De Grieken en Romeinen hadden het in de klassieke Oudheid over de Elysese velden, waar de helden na hun dood konden wonen. Een paradijs voor de helden dus, maar deze velden lagen wel in de onderwereld, ondergronds dus. De Romeinse dichter Vergilius had het toch over “de groene bekoorlijke dreven [=wegen] van het bloeiende woud” toen hij het over die Elysese velden schreef. Als je dat weet, wat zouden dan de laatste twee regels van dit fragment kunnen betekenen?
- stap 2: Waarom vergelijkt Meyster Nimmerdor met dit klassieke beeld van het paradijs, denk je?
- stap 3: Diezelfde Vergilius schreef een heel beroemd gedicht, de Georgica, waarin hij het platteland (in tegenstelling met het rumoer en gekonkel in de stad) als paradijs omschreef. Meyster kende dat gedicht vast, maar maakt een iets andere tegenstelling dan Vergilius als hij over Nimmerdor schrijft: “Waer de Natuur noyt schaft geen sulcke lafferijen,/Die ‘t oogh doen walgen sou, o neen! in ‘t minste niet:/Wat ‘s somers ‘t oogh behaeght, is ‘s winters geen verdriet.” Welke tegenstelling maakt Meyster?
Het geometrische paradijs
T is Nimmerdor rontsom, &c.
Heel na de kunst bepoot, op order, en op rijen,
Standvastigh in het staen, standvastigh in het groen:
Waer vindmen, segh my doch, een mensch soo in sijn doen?
- stap 1: Nimmerdor is volgens Meyster ‘geheel naar de kunst’aangelegd. Lees dit fragment uit Den Nederlandtschen hovenier (1669) van Jan van der Groen om te zien hoe een Nederlandse tuin er op dat moment ‘in het gemeen’ [=gewoonlijk] uitzag. Van der Groen neemt hier de tuin van stadhouder Willem III als voorbeeld.
- stap 2: Schrijf in een paar zinnen op hoe een tuin eruit zou moeten zien volgens de opvattingen die toen gewoon waren. Leg daarbij uit wat Meyster bedoeld kan hebben met ‘op order, en op rijen’.

- stap 3: Wat zou de laatste regel van dit fragment kunnen betekenen (“Waer vindmen, segh my doch, een mensch soo in sijn doen?”)?
- stap 4: ‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
- Om bey mijn boogaerden met groen’ tapeetserijen
- Niet kostelijck van kunst, maer van natuur soo net.
- Soo heerelijck, als selfs geen konincklijck salet.
- Om de twee – want symmetrie is heel belangrijk bij die geometrische patronen – boomgaarden in Nimmerdor heen staan rijen van hulst die de boomgaarden als een tapijt omringen, lezen we hier. Die hulst vormt een tapijt: “niet kostelijck van kunst, maer van natuur soo net”. Stelt Meyster hier de kunst (dat wat mensen maken) boven of onder wat de natuur maakt?.
- stap 5: Bekijk nu wat je al weet over de manier waarop in Nimmerdor het paradijs als beeld gebruikt wordt.
Het islamitische paradijs
T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen
Sagh dit een Zarazijn in ‘t woeste Barbarijen
Hy swoer by Mahometh, te zijn de selfde stee
Daer d’Alcoran belooft een eyndeloose vreê.
- stap 1: ‘D’Alcoran’ is hier: de Koran, die in de zeventiende eeuw meermaals via het Frans naar het Nederlands werd vertaald en die Meyster op die manier misschien had leren kennen. Zou een Islamitische Sarraceen Nimmerdor zien, dan zou hij bij de profeet Mohammed zweren dat deze plek gelijk was aan de plek waar de Koran “een eyndeloose vreê” belooft. Welk kenmerk van Nimmerdor als paradijs brengt Meyster zo bij zijn lezer onder de aandacht?
- stap 2: In de Nederlandse vertalingen van de Koran uit die tijd is die “eyndeloose vreê” als omschrijving van het islamitische paradijs niet letterlijk te vinden. Wel staat er dat het islamitische paradijs een ‘eeuwighe wooninge’ is waarin men alles kan krijgen een ziel verlangt. Wat betekent het dat Meyster vrede naar voren schuift als belangrijkste?
Het paradijs op aarde
T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen
Dat Kees een hemel noemt, maer ‘t zijn pluym-strijckerijen;
Het is een Paradijs, een Paradijs voor my,
Daer ick, al knoeyende, my in Gods werck verbly.
- stap 1: Ene Kees heeft Nimmerdor kennelijk ooit een paradijs genoemd, maar Meyster schrijft dat hij dat maar “pluym-strijckerijen” [=gevlei, complimentjes die je maakt om iemand voor je te winnen] vindt. Voor hemzelf is het wel een paradijs, die tuin, dat wil hij wel toegeven. “Daer ik, al knoeyende, my in Gods werck verbly”. Wat is de rol die Meyster voor zichzelf als mens beschrijft, ook in relatie tot God?
- stap 2: Nimmerdor een hemel noemen is overbodige ‘pluym-strijckerij’, maar toch zou je kunnen zeggen dat Meyster met zijn tuin als aards paradijs de competitie is aangegaan met het christelijke, klassieke en geometrische ideaal dat er voor een paradijs was. Zijn paradijstuin is ‘Des Winters also groen, als midden inde Lent.’ De winter krihgt er geen vat op. Is als ‘Sneeuw-vorst’ niet in staat “Het minste groen te doen verdorren op dees grond”, en legt het als ‘Guure-vorst’ tegen Nimmerdor af want “Hoe guurigh, en hoe fel hy winters koelt en koudt, ’t Is Nimmerdor altoos, in ’t Nimmerdorsche hout.’ Wat maakt Nimmerdor bijzonder ten opzichte van andere idealen die er over het paradijs bestonden?
Het klimaat en het paradijs
Tijdens de zeventiende eeuw was er sprake van een regionale ” Kleine IJstijd” waarin de temperatuur gemiddeld een paar graden lager lag dan in de eeuwen daarvoor en daarna.
- stap 1: die klimaatverandering bracht veel economische groei voor de Nederlanden. De oogsten in Zuid-Europa mislukten, en daarom werd de handel van graan die de Nederlanden al veel langer rond de Oostzee opgezet hadden, heel winstgevend. Misschien dat Meyster daarom in Nimmerdor zoveel schrijft over de winter en koude temperaturen. In de schilderkunst zie je in die periode ook veel winterlandschappen zoals deze van Jacob van Ruysdael uit c. 1665:
Wat kunnen de redenen geweest zijn dat schilders en dichters zo vaak die winters centraal stelden? - stap 2: Het soort huizen en tuinen waar Nimmerdor toe behoort (buitenplaatsen) gebruikten rijke mensen in de tijd van Meyster alleen in de zomer. Verwarming legde er men niet in aan, en de tuinen werden ook zo aangelegd dat ze in de zomer op hun mooist waren. Nu je ook dat nog weet, wat betekent het beeld van het paradijs dat volgens jou in Nimmerdor?
Interpreteren
Opdracht x: NOG AANVULLEN
Bronnen
De Arabische Alkoran. Barent Adriaensz. Berentsma, Hamburg 1641.
De Alcoran, benevens Mahomets leven en een verhael van deszelfs reis ten een verhaal van des zelfs reis ten hemel. Alles van nieus door J. H. Glazemaker vertaalt, en te zamen gebracht. Amsterdam: Jan Rieuverts, 1658.
Backer, A.M, Blok, E. & C.S. Oldenburger-Ebbers (2021). De natuur bezworden. Een inleiding in de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur van de middeleeuwen tot het jaar 2005. Rotterdam: De Hef publishers.
Baetens, C. (2022). Beschutten en bevrijden . Pastoraal verlangen en ecofobie in het hofdicht Nimmer-Dor Berymt (1667) van Everard Meyster. Jaarboek Zeventiende Eeuw, pp. 87–101.
Biblia sacra […] (1599). Antwerpen: J. Moerentorf. [Moerentorf-bijbel]
den Dulk, S. J. (2021). Verlangen naar groene wandelingen: De wording van het stadspark in Nederland 1600-1940. Amsterdam
Buisman, J. & A.F. V. van Engelen (2000). Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Dl. 4, 1575-1675. Franeker: Van Wijnen.
Delumeau, J. (2000). History of Paradise. The Garden of Eden in Myth and Tradition. University of Illinois Press.
Geerts, A. (2011). Nimmerdor te Amersfoort. Buitenplaats en landgoedbos. Cultuurhistorisch overzicht. Aanbevelingen voor bosbeheer. Amsterdam: Oldenburgers historische tuinen.
Pires Fernandes, I. (2016). ‘The utopia of paradise in architecture – gardens, countryside, and landscape in Roman and Renaissance villas’. In: Monteiro, M.R. & M.S. Ming Kong (red.). Utopia(s) – Worlds and Frontiers of the Imaginary. London: Taylor & Francis Group, 41-46.
Tuplin, C. (1996). The Parks and Gardens of the Achaemenid Empire. In: Achaemenid studies. F. Steiner.
Vergillius in vertaling (2008). Athenaeum-Polak & van Gennep.
Vogelzang, F. (2021). Buitenplaatsen en de Kleine IJstijd: Water en klimaatverandering. Amersfoort: Nederlandse Kastelenstichting.
De Vries, W. B. (1998). Wandeling en verhandeling: de ontwikkeling van het Nederlandse hofdicht in de zeventiende eeuw (1613-1710). Hilversum: Verloren.