transcriptie gebaseerd op exemplaar Koninklijke Bibliotheek Den Haag, gedigitaliseerd door Google

BERICHT
Tot de teer-ogige lezer.
Heer lezer, valt dit groen wat duister in’t gezicht?
Daartoe is raad: houd ‘t niet te ver, noch niet te dicht.
Dan zult gij ‘t alzo klaar als enig schrift schier lezen.
Het groen is voor het oog zo goed als iets mag wezen.
Wie ‘t oog verlichten wil, die houdt het op dit groen,
zo heeft hij op zijn neus geen brillenglas van doen;
zeer schadelijk voor één die in zijn vrijerijen
een goed einde hebben wil van zijn minnekozerijen.
Niet dat min vrijen doet, en meer blauwe schenen geeft,
dan die een fokke-neus en grijze haren heeft.

Qui videt per Brillum,
Mulier non diliget illum.

TOT DE GROEN-WILLIGE LEZER.
Heer lezer, dat ik hier zo telkens, als meermaals heb willen rijmen en lijmen op het woord “ter zijden” of “ter zijen”, is eensdeels om de onduitse volkeren de volle rijmse rijpheid van onze Duitse taal te uiten en te tonen. Ten anderen om alle eigenschappen, zowel van Nimmerdor als het Nimmerdorse groen, uitdrukkelijker en naakter af te beelden; alsook om zelf mijn lege tijd met meer dan landse bezigheid te versnipperen. Ik zwijg van mijn lezers met groen-vreugdzame lezing, tot hun tijdkorting, hier me te willen delen. Als ik verhoop dat met dit doorgronde boek niet, niet alleen lezend (nauwelijks lezenswaardig), maar met meer andere betere lezingen zal geschieden; dat ik tot ieders ziel en zaligheid bij sluiting hiervan wens, zowel nu als naderhand in de eeuwigheid. Vale.
Vivent vivas ‘ik’ vertelt dat hij veel tijd in de tuin Nimmerdor doorbracht, maar dat het nu tijd is om Nimmerdor te beschrijven. Want tijd vervliegt, maar wat beschreven is, dat blijft.

NIMMER-DOR BERIJMD.
Incipe Nimmeridos mecum mea tibia versus.

‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen,
Van onderen ook mee, ‘t en zijn geen boerterijen,
die ik hier melden zal: ‘t is Nimmerdor, dat is
te zeggen altoos groen, naar ‘t woords bediedenis.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Een Groen-gaard voor de mens, waar ‘t prille puik der tijden
gedurig bloeit en groeit; een eindeloze Lent’,
een dorreloos seizoen, een Zomer zonder end.
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter ziden:
Dat dit zo is, en blijft, zal ik zo klaar bediden
met deze mijne Rijm, als tonen metterdaad,
hoe ‘t Nimmerdorse groen zijn wezen nooit verlaat.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Ook als de IJs-voogd zelf ons mens op ‘t ijs laat glijden.
dat dit waarachtig is, daar hoef ik geen bewijs toe,
mijn grachten zijn getuig’, bevriezende met ijs toe.
(fol. 2)
‘T is Nimmerdor rondsom, van boven en ter zijden:
De waarhed is maar één: ik wil hier niet op-snijden,
wat zich oog-zienelijk, of inderdaad vertoont,
wordt door geen rijm vermooid, bewaarheid, nog verschoond.

‘T is Nimmerdor rondsom, &c.
Te drukken met geen groen op all’ de Drukkerijen,
van Neêrland en Euroop’ te samen voortgebracht,
schoon zelfs ook Coster kwam met all’ zijn letter-macht.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Zoëven als dit Boek (weg harenkloverijen)
van alle kant begroend; behalleve de locht,
waer vindt men (zegt mijn toch) iets meer zo groen bedocht?
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Een aardig Schilderhuis vol groene Schilderijen,
niet hangende in ‘t oog, maar staande in ‘t gezicht,
dat ‘s wassende gezegd, om wel te zijn bericht.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Gestopt, gepropt doorgaans met groene kweekerijen,
vol pingelen getorst, om te verzaaien ‘t zaad;
dat meermaals ook alhier van zelleve opslaat.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Een Groenesteins gebouw, bezet met enterijen
van grof en fijne Spar, van Eijlof, en van Palm,
Van Hulst, en Zevenboom, doormengd met Echo’s galm.
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter ziden,
Waar zelfs de Groen-God schijnt de groenheid te gebiden,
dien hij ‘s jaars in de Lent’ door d’hele wereld stuurt,
gezeten op een troon van Eijlof geborduurd.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Wiens Eijlofs troon, en lof ik thans niet wil verwijen.
O neen! alleen ben ik van mening, en van zin,
te tonen wat het woord van Nimmerdor heeft in.
(fol. 3)
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Dat ik zo bondig zal besnoeien en besnijden,
als ik best eigentlick met waarheid iets vermag,
tot vreugde van de mens te brengen aan de dag.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Een Groenesteinse hoev’, (wat kan de tijd uit-dijen!)
voor dees’ mijn over-buur van ‘s Dorrestein gelijk,
doch nu zo wel door-groend, dat het geen Tempe wijk’.
‘t Is Nimmerder rondom, van boven en ter zijen,
Dool-hofs gewijs doorgroend, met groene galerijen,
zoals die Doolhof eer van Kreta was bekend,
des Winters al zo groen als midden in de Lent’.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
In welkers middelpunt, ten bergwaarts op te rijen,
het oog t’aanschouwen komt een groen-bepalmden Hof,
bemanteld voor altoos met dorreloose stof.
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Waar duizend vogelen met duizend vreugden strijden,
om te verheffen ‘t lof hun Scheppers door het groen,
dat nimmer hier verdord in ‘t heet’, noch koud’ seizoen.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Wat Doctor Faust vermag, met all’ sijn kook’larijen,
een dubbele natuur te tonen inderdaad?
Zo het hier ‘t heel jaar door in volle wezen staat.
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Ja waar ik ga, of sta, geen groen kan ik ontmijden:
‘t is alzins Nimmer-dor, waar men zich wendt, of keert.
Dank zij mijn God, die ‘t ‘s jaars hoelang hoemeer vermeert.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Ook tot de grond incluis (ik roem’ geen kweekerijen),
een groen fluwelen mos bekleed hier overal
de wandelingen zelf van ‘t Nimmerdorse dal.
(fol. 4)

‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Veel zachter op haar grond, als d’allerzachtste zijen
op zulk een vloer, loof ik, heeft Adam zich verheugt
voor d’appel-beet hem joeg uit d’Edonse geneugt.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Waar geen ongroene tijd haer groenheidt kan bestrijden,
schoon zelfs de Dorre-vorst met all’ zijn dorrigheid
op ‘t Nimmerdorse groen ten felst’ had aangeleid.
‘t Is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Ja rondom Nimmerdor, ‘t en zijn geen beuzel’rijen;
‘t is Nimmerdor in all’s, dat ‘s groen ter aller stee,
zo als de naam en ‘t woord van Nimmerdor brengt mee.
‘t Is Nimmerdor rondom, &c.
Wiens Nimmerdorse naam dat niemand mag t’ ontwijden
zolang als Nimmerdor geen immerdor en wordt:
waar het (God zij geloofd) tot nog toe niet aen schort.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Wie ‘t niet gelooft, die kijk’ (ik wild’er niet om strijden)
ter zijden, en omhoog, rondom, of waar ‘t hem lust:
ik wed het oog altoos in Nimmerdor verlust.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Het oog ons niet bedriegt (als elkeen moet belijden)
dus wie niet blind en is, en ziende niet wil zien,
dat ziende wordt gezien van allerhande liên.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Ik haat de leugentael van all’ bedriegerijen,
wat ik niet vast en maak oogzienlijk metterdaad,
houd dat voor wijventaal, en voor geen mannenpraat.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Waar men naar kruipen zou op handen en op knijen,
zo groenzaam is dit groen, dat elk vergroenen moet,
vergroenen heel en al, wie ooit deez’ groent’ aandoet.
(fol. 5)

‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
voor kinderlozee liên, en kinder-makerijen,
(als ik het zeggen mag) zo prikkelig om ‘t groen
dat een ongroenen zelfs, ik weet niet wat zou doen.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Mij moordende met all’ de zoete moorderijen
haars zoete groenigheid; zoals een minnaar sterft
van blijdschap en van vreughd, die ‘t zoete ja-woord erft.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Waar ik nogal wat van (ook zonder kweekerijen)
mijn Lezer melden moet, zoals ik best vermag
maar niet als ik wel wens, dat zelf de Lezer zag.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Doolhofsgewijs doorgroend, waar ‘t vrijen en ‘t ontvrijen
gemakkelijk, en heel kan worden afgedaan,
eer half de ommegang des Doolhofs is gegaan.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Wiens weesjens, van natuur de zoete vrijerijen,
wel haast zo gaande maakt, dat een ongroenig hart
nauw zelfs ontkomen kan de groene minnesmart.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Wie zou dit niet aanstonds vergroenen, en doen vrijen?
Waar ‘t hart en ziel vergroend, waar zelf de weeld’ ons noodt
op groen fluwelen mos, in ‘s mensen moedersschoot.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Laat twijfelen die wil, dat mag ik heel wel lijden,
waar ‘t zien voor ‘t zeggen gaat, daar blinkt de waarheid uit,
veel hoger, en veel meer, als enig sparrespruit.

‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Een uitvlucht en ontzet voor de melancholijen
die ‘s mensenhart en ziel beklemmen tot de dood:
wanneer een blauwe scheen zijn vreugd met voeten stoot.
(fol. 6)
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Verlichtende mijn geest van alle fantasijen;
zo vaak ik door het groen van d’een op d’ander steê
met opgetogen geest blijmoedig mij vertreê.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Wie zou, dit ziende, niet vernoegen en verblijden!
Verblijden met zijn God, die in dit Paradijs
een vreugd ons gunt en geeft op allerhande wijs.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Wiens groene weeld’ ik zet voor alle gasterijen,
waar men zijn graf zeer licht met eigen tanden graaft.
Ik durf niet zeggen schier, ter helwaarts henen draaft.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Waar vindt men zulk een groent’ in enige Abdijen!
‘t Is of het hemels hier aan ‘s werelds waar vergost,
waar ‘t hemelse veeleer aan ‘t geest’lijck wezen most.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Dat God mij laten wil gelukken, en gedijen
tot mijner kind’ren vreugd en zielsbehoudenis,
het beste deel en lot van alle erfenis.


‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Waar zijn de hoven nu van Baab’lons burgerijen!
Waar zo d’Euphraat mee pronkt bij d’over-oude eeuw,
niet vindende, als hier, een Zomer in de sneeuw.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Zoals de Sneeuwvorst moet bekennen, en belijden,
niet machtig in het minst ter een’ger tijd, noch stond,
het minste groen te doen verdorren op deez’ grond.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Ja Nimmerdor altoos, dat ‘s groen ten allen tijden;
zo goedig is mijn God, dat ik een Zomergroen
volvreughdig zelfs geniet in ‘t Winterse seizoen.
(fol. 7)

‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden:
Wiens groent’ alleen ontgroent door ‘t hakken en door ‘t snijden,
wie Nimmerdor daarom zijn naam niet nemen wil,
die moet’er wandelen, en houden d’handen stil.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Waar alles groeit en bloeit, behalven specerijen;
een kleine zaak, dat is om weinig geld te doen,
ik zet daar tegens weer het Nimmerdorse groen.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter ziden:
Waar zelfs de Gurevorst voor zwichten moet, en vliden
hoe gurig, en hoe fel hij ‘s winters koelt en koudt,
‘t is Nimmerdor altoos in ‘t Nimmerdorse hout.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Ja Nimmerdor altoos, het schijnt wel aperijen,
met Nimmerdor altoos, doch alsmen ‘t wel verstaat,
het Nimmerdorse groen betoont het inderdaad.

‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Zag dit een Zarazijn in ‘t woeste Barbarijen,
hij zwoer bij Mahometh, te zijn dezelfde steê
waar d’Alcoran belooft een eyndeloze vreê.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Dat ik hier wederom (al schijnt wel gekkernijen)
om ‘t eindeloze groen niet laten kan noch mag,
zo menighmaal als steeds te brengen aan de dag.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Voor ‘t oog een loterij van alle looterijen.
Ha wond’re wonderheên! nooit mist’er Groene wat.
Weet gij waarom mijn vrind? nooit heb j’er dor een blad.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Met zoveel groens begroend, als geen der Bleekerijen
met enig wit bewit: ik zwijg, en zeg niet meer,
wie zulks vertonen kan, die geef ik graag de eer.
(fol. 8)

‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Een aardse Mars, gevuld met groene kramerijen,
van Vrouw Natuur gemaakt, van Vrouw Natuur geteeld,
denkt vrienden, denkt, wat groent’ ons daags in d’ogen speelt.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Een ongeschilderd groen, beroofd van verwerijen,
Natuur gaat boven kunst, hier treft geen kunstpenseel
(al was ‘t van Withoos zelf) een zulken lustprieel.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter ziden:
Waar zelfs de winter zich (wat siet men al geschiden?)
met zomerdracht bekleed, met zomerlof bekroond,
‘t is of ze met de Lent’ een Zomerhof bewoont.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat ick hier schrijf, is waer, ‘t en zijn geen guychlarijen,
Die sich aen ‘s menschen oogh vertoonen voor een poos,
Maer komt, alst u belieft, ghy vind het dus altoos.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wie sulcx in twijffel treckt, die magh’er heen gaen tijen,
Het oogh sal hem doen sien, wat aen ‘t geloof ontbreeckt,
De waerheyt in het groen, en niet in t seggen steeckt.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Heel na de kunst bepoot, op order, en op rijen,
Standvastigh in het staen, standvastigh in het groen:
Waer vindmen, segh my doch, een mensch soo in sijn doen?

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een Groene-woudse bos, met geen hand uit te wijen,
‘t is of hier ieder boom een groen’ Egyptse naald,
een sparretoren waarnaar ‘t leven afgemaald.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
Weg Memphis met ‘t gebral van stene Pyramiden,
wat menig vreemde kiel de Nijl doorheen deê sniên,
hier zijn ze levendig, dat ‘s nimmer-dor te zien.
(fol. 9)
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijden.
Waar zelver de Natuur zo kunstig uit kon snijden
een Nimmerdors prieel, als ieders in de Lent
of in geen Zomertijd ter aarde is bekent.
‘T is Nimmerdor rondom, &c.
De vreemde onbekendt, die kennis is bij mij, en
wie ‘t kennelijk beziet, die (wedd’ ik) zelf bekent
dat elke spar hier speelt voor een begroende tent.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen:
Omhoog zo dicht begroend, dat, zonder rok of pijen
geen regen mij bevocht, hoelang ik daar ook zit,
vaak stellende iets zwarts, tot tijdverdrijf, op ‘t wit.
‘T is Nimmerder rondom, &c.
Waarin dat niemand mij van buiten kan bespiden,
het groen-belommerd lof (zo akelig, als dicht)
dat sluit’er zelver uit het al-bestralend licht.
‘T is Nimmerdor rondom, van boven en ter zijen.
Van timmerhout ontbloot, weg lompe loperijen:
Natuer behoed mijn scha van ‘t jaerelijckse maeck-gelt.
Niet lijdende in’t minst, dat m’iwers eenigh staeck stelt.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Ten cierelijckst geciert, maer niet na haer waerdijen
Als yder hier kan sien, en daer bevinden sal,
Die sijn oogh weyden laet in ‘t groen haers groene dal.
‘T is Nimmerder rontsom, van boven en ter zijden:
Soo doorgaens altoos groen, als imand sal berijden.
Daer Lent, en Somer bloeyt; wie ‘t niet gelooven wil.
Die magh het komen sien, soo valt’ er geen verschil.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Wie oyt daer tegen keft, houdt dien sijn kefferijen
Als ‘t keffen eener hond: Mijn Nimmerdor staet vast.
Dat ‘s dorreloos altoos, hoe fel oock aen-getast.
(fol. 10)

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Hier vind geen Momus stof, al was hy met sijn drijen,
Neen, Nimmerdor, uw groen te hoogh verheven is,
Vergeefs daer eenigh tongh (hoe vuyl) oyt tegen is.
‘T is Nimmerdor rontsom &c.
Hola mijn pen! dat u de Grieten, en de Fijen
Niet doemen inde hel, om dees een-toonsche sangh,
Voor ‘t knorrigh vrouw-geslacht so moeyelijck, als langh.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Ja rontsom Nimmerdor, ‘t en zijn geen jockernijen,
De naem van Nimmerdor die vindm’er inderdaed,
Soo wesentlijck al om, als hier geschreven staet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Van onderen oock mee, wie sal my dan verbieden,
Te schrijven overal? daer ‘t nergens immerdor.
In ‘t minst te vinden is, maer altoos Nimmerdor.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter ziden:
Dat sien en wetens’ al, behalven blinde liden:
Danck zy mijn God, God! die my ‘t Nimmerdors gesicht
Hier gunt, en namaels, als ick wensch, het eeuwigh licht.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat ick ser tegens al de Pastoors Pastorijen!
Met ziele-sorgh belaen: ick slijt met Groeneborgh,
Mijn groene jeughdschen tijd vol vreughds, en sondersorgh.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
My meerder waerd, als all’ de Stiftsche Knunnesijen;
Ick spreke van geen geld, maer van gerustigheyt,
Die in ‘t rechtvaerdige besit gelegen leyt.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Ick swijgh, en segh niet meer (het zijn geeh lomperijen)
Daer ‘t oogh uyt halen kan, ‘t geen tot behoudenis
Van ‘s menschen zaligheyd soo nut, als dienstigh is.
(fol. 11)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en van zijen:
Wegh met het vuyl beslagh van staetsche kuyperijen
Der Grooten grootste key: ick kuyp hier in ‘t gemoed
Bly-rustigheyd met vree, dat aller-hooghste goed.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer noyt geen hoofsche saus van vuyle veynserijen
Geschotelt word, o neen! men leeft er ongefronst,
Eenvoudigh, en oprecht, maer noyt op loose konst.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Groen jeughdelijck beset, en vry van pleyterijen,
Daer d’Advocaet nae snackt, den Procureur op loert,
Om ‘t duyvelsche gewin, te goddeloos vervoert.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Niet machtigh met geen pen, noch door geen kak’larijen
Te roemen als het hoort: haer hoogh-verheven lof,
En eyndeloost groent’ eyscht eyndeloose stof.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Ick trots met sulck een groent’ de trotste heerschappijen,
Alwaer geduerigh stormt een onweer van gewelt,
Terwijl men hier gerust gaet treden in het veld.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Gelooft my dat ick segh: ten zijn geen snorkerijen,
Van Nimmerdor steets aen te roemen in mijn dicht:
O neen! het oogh vertoont veel meer, als ick bericht.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wie sulx in twijffel treckt, dien wed ick, eer dat hij, en
Ick hallef Nimmerdor zijn door, en om geweest,
Dat hy met my welhaest sal schoeyen op een leest.

‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Soo groen door-groent, als all’ de Suycker-backerijen
Van ‘t Luye-Lecker-Land met eenigh zoet door-soet:
Wie smelt dan niet van vreughd? die so veel groens ontmoet.
(fol. 12)
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen
Dat meer door-soet, als geen’ der Koecke-backerijen,
Hoe honingh-soet door-soet: Een vrolijck soet gesicht
Te wonderlijck de geest vervrolijckt, en verlicht.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Wat dunckt u Leser, segh, van all’ mijn praterijen:
Soudt niet wel beter zijn, dat ick by tijds noch sweegh?
Eer ick de by-naem van een yd’le prater kreegh.
‘T is Nimmerder rontsom, van boven en ter ziden:
Daer Lent-groen ‘t heel jaer door den Goden aen comt biden
Het alder-groenste groen, standvastigh en bequaem,
Waerdoor ook Nimmerdor sijn doop kreeg, en sijn naem.

‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat ick hier Leser schrijf, zijn gantsch geen spotterijen,
Soo waer als dese prent begroent is overal,
Soo waer is ‘t, dat ick schrijf van ‘t Nimmerdorsche dal.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een groen-belommert Hof, te offren, en te wijen
Met hemelschgroene stof, ter eeren van de Goôn.
Die on-ophoud’lijk’s daegs op volle weeld’ ons noôn.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer Jupijn selfs sijn Goôn somwijlen doet ontbiden,
Op groeneloosen tijd, om ‘t Nimmerdorsche groen
Beneden, als om hoogh, met vreughd haer aen te doen.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wiens groent’ den tijd soo wilt te schicken, en te vlijen,
Dat kunst en wetenschap een Meester-stuck hier vind:
Een Meysters meester-stuck, sijn maecksel en sijn kind.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Te achten moet, als all’ de wulpsche hoererijen
Hier is een groene vreughd, geduerigh en altoos;
By haer verganckelijck helaes! en voor een poos.
(fol. 13)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter ziden:
Van over al: maer sier! wat heest het te bediden,
Hoe treffelijck door-groent, de tijd, de laetste tijd
Van alle tijden, dit, en all’s ten assche slijt,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Wiens al te langh verhael al tijdigh is te mijden:
My dunckt, mijn Leser schort sijn neus, en schoud’ren op,
Van Meysters groene key, van Meysters groene pop.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Vergeeft het Leser my, ten zijn geen frenesijen.
Van Nimmerdor rontsom, o neen, het moet’er uyt,
Al watter in, en eygen is, eer dat ick sluyt.

‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Daer elk een spar een boom (ten zijn geen toverijen)
En elck een boom een spar van Polypheem gelijckt,
Waer mee hy door de zee, en over borgen strijckt.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:[19]
Met soo veel strooms bestroomt, datm’ all’ de Brouwerijen
Van ‘t Sticht genoeghsaem, en ten vollen sou versien,
Schoon yder drymael ‘s weekx bier bronwen wou, of zien.
‘T is Nimmerdor rontsom &c.
Waer blijf ick met haer vier, of twee paer Baterijen,
In ‘t groen rontsom beset? wat Dichter met sijn dicht
Sal dichten naer den eysch? daer selfs het oogh voor swickt.
‘t Is Nimmerder rontsom, van boven en ter zijden:[20]
Oock selfs ter tijd en stond, alsm’ elck op ‘t ys siet rijden,
Met schaetsen aende voet: ha wond’re wonderheên!
Wie sagh op een tijd, dat dor, en groen verscheen?
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Verheerelijckt, soo ‘t schijnt, met Groenaerds weverijen,
Door kunst van de Natuur soo cierelijck gewrocht.
Als noyt Arachnes kunst, noch Pallas had bedocht.
(fol. 14)
 ‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Waer in Groenouwens kunst van lande-meterijen,
Niet meerder als den schets nae ‘t leven yets verbeelt,
Dat van sijn lichaem meer als eenigh schaduw scheelt,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Beneên, en over al, van niemand te benijen,
Een Edon voor den mensch; mits m’ in haer ommeswier
Daer wandelende schept een Edonsche playsier,
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo weelderigh in all’s, als vrij van schelmerijen,
Danck zy mijn God, die my dees kleyne grootigheyt,
En groote kleynigheyt soo milt heeft toe-geleyt.
T is Nimmerdor rontsom, &c.
Vry soeter als Brasyl, hoe vol van suyckerijen.
Dunckt u dat vremt? my niet: wat gaet’er boven ‘t oogh
Waerdoor m’een Diamant, een Parel schat soo hoogh.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wie, siende, kiest dit niet voor alle bouwerijen?
Jae wie sou niet, segh ick, sijn geld en goed versmaen?
Soo ‘t waer is, dat vermaeck moet boven alles gaen.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Was elck een spar een schaep, geen schoonder pelterijen
Men in gantsch Eng’land vond; soo wolligh groen gelaen
Tot opder aerde toe men elcke spar siet staen.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter ziden:
Wiens groente my noyt sal begeven, noch ontvliden,
Soo langh daer boom, of struyck oyt veyligh opwaerts wast,
En met geen hacke-bijl, noch spae word aen-getast.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Ordentelijck gepoot; ick acht geen vodderijen,
Het schickelijck gestel, op order, en op reên,
Heeft met het hemelsch yets wat eygens, en gemeen.
(fol. 15)

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Besloten en beset met dubb’le visscherijen;
Ofj’ ons niet wel verston, met meer als eene graft,
Daer ick ‘t geboeft mee keer van mijn plantasy af.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer sulck een stof uyt komt voor steene-backerijen,
Als best de taye klay van hare vorm af-strijckt,
Hoe tragelijck, hoe noô sy daer gemeen af wijckt.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Met soo veel sands versien, dat geen der Tichglarijen
Noyt meerder vinden sou in ‘t alder-verste land,
Hoe diep, loof ick, oock selfs ten grond toe uyt gesand.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Met Palm, en Hulsten-bergh, uyt al haer sanderijen
Soo cierelijck geciert, dat ick wel seggen derf,
Het cierelijckst te zijn van heel mijn hof, en erf.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Om bey mijn boogaerden met groen’ tapeetserijen
Niet kostelijck van kunst, maer van natuur soo net.
Soo heerelijck, als selfs geen konincklijck salet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat in geen Republijck, noch in geen Monarchijen,
Soo groensaem word vertoont, soo dorreloos betreên.
Die wedden wil, ick wedd’, oock duysent tegens een.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wiens glimmend spiegel-groen, soo glat als boomesijen,
(Gelegen in de pars) een dobbele genoeght
Om ‘t dobbele gesicht, my dagelijcx toe voeght.

‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer blijf ick noch met all’ mijn Rijmsche romm’larijen?
Heer Leeser hebt gedult, soo ‘t groen my wat verruckt,
Daer voor hebt ghy mijn groent’ naer ‘t leven uyt-gedruckt.
(fol. 16)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo langh van my berijmt met soo veel rijmerijen,
Dat ick’er selver schier af walligh, en af swijm:
Wie helpt my, Leser, ach! wie helpt my uyt mijn rijm?
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een wisse ardsenij voor alle, die in lij, en
Bekommernissen zijn, de Nimmerdorsche lucht
Verdrijft haer, als de Son den nevel op de vlucht.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Dat meer den siecken helpt, als eenigh’ ardsenijen,
De lucht, de soete lucht (waerdoor men leven haelt)
Die isser in het groen, als levend af-gemaelt.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Daer all’ de tijden ‘s jaers ons weeld op weeld toe-biden,
Met een vermenght geschal der vog’len door het wout.
Steets springende vol vreughds van ‘t een op ‘t ander hout.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden:
Wien sou ‘t benoude hert van vreughde niet door-snijden?
Daer ‘t vrolijck pluym-gediert, met buyten-tijdsche vreught,
In ‘t eyndeloose groen, geduerigh elck verheught.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat licht vergeten doet des werelds hovaerdijen,
Terwijl veranderingh alsins het oogh aen-tockt,
En ‘t elck eens hart, hoe langh, hoe meerder steets verlockt.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer men onkundigh is van vise-vaserijen,
Steets levende in ‘t groen met allerhande vreught,
Die ‘s menschen breyn ontlast van alle ongeneught.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer selfs Jan Bertsen leeft bevrijt van prangerijen,
Het schijnt, of hier dit groen mijn bouw-man soo vernoeght,
Dat hy de boersheyt schuwt, en sich nae reden voeght.
(fol. 17)
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Waer men noyt plegen sagh geen and’re dwinglandijen,
Als boorde vol een glas, meer dwingh ick niemand niet.
Door dien ick selfs niet wil, dat sulcx aen my geschiet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Jae daer m’eenvoudigh leeft, en vry van boeverijen;
Soo veel vermagh, segh ick, de eensaemheyt in ‘t groen,
Dat men sijn even mensch alsdan geen leet sal doen.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Noyt twistigh in het recht van dwinghlands tyrannijen,
Noch eenigh opper-macht van ‘t geestelijcke hof:
O neen! dit groen vernoeght ons geest met hoger stof.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer my geen vuyl bedrijf van stadsche schelmerijen,
Noch ongerechtigheyt der grooten oyt ontmoet.
O neen! haer groenigheyd noyt sulcke adders voed.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wiens groenten, dat ick noch met dees mijn totterijen
Van Nimmerdor rontsom, moet melden in mijn dicht,
Soo langh mijn Leser niet van alles is bericht.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Alwaer de Groen-god selfs dees groenheyd toe wou wijen
Aen d’hemelsche Landouw van d’Amersfoortsche kust,
Die aller menschen hert vervrolijckt, en verlust.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer Argus oogh-getal, in dese landerijen,
Niet half beoogen sou het weelderigh gepoot,
Dat sich om Nimmerdor hoe langh, hoe meer vergroot.

‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Ick wil van Water-dael, noch all’ haer planterijen
Niet roemen in mijn rijm, ick blijf by ‘t Nimmerdor,
En ‘t Nimmerdorsche groen, niet soeckend’ immerdor.
(fol. 18)
‘t is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soet-geuriger, alo all’ de Kocksche brayerijen,
Een quellingh voor de maegh; hiet krijght de neus het sijn,
Daer ‘t missen vande spijs maer quellingh geeft, en pijn.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
My dunckt, ghy Leser walght al van mijn lijmerijen,
Niet vreemt, ‘t is Nimmerdor steets aen, en sonder end.
Maer Leser denckt, daer is een eynd-loose Lent.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden:
Dat ick dies meermaels niet te melden kan vermijden,
Om d’overvloedigheyt van ‘t Nimmerdorsche lof.
My gevende daer toe on-eyndelijcke stof.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Vol hemelsche geneught, vol aerdsche leckernijen.
Van binnen voor het oogh, van buyten voor de maegh,
Geluckigh hy, die vrucht en vreughd te samen jaeght.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter ziden:
Met vruchten voor de maegh te stooven, en te siden;
Maer dat noch beter is, met sulck gesicht voor ‘t oogh,
Dat hert en ziel geheel doet leyden naer omhoogh.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Met geene overdaed van ooftsche snoeperijen
Behangen, noch belaên, maer soo veel als mijn huys,
En vrienden is van noôn, tot buuren toe incluys.

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een ander volght het dol gespuys van Ruyterijen.
Van ‘t Voet-volck nae den krijgh, met smert en ongeneught;
Ick min mijn Nimmerdor, dat hert en ziel verheught.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Veel nutter voor den mensch, als alle brasserijen,
Het edele Gesicht, van all’ de Sinnen ‘t meest
Te achten inderdaed, verlust ons hert en geest.
(fol. 19)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Waer de Natuur noyt schaft geen sulcke lafferijen,
Die ‘t oogh doen walgen sou, o neen! in ‘t minste niet:
Wat ‘s somers ‘t oogh behaeght, is ‘s winters geen verdriet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat Kees een hemel noemt, maer ‘t zijn pluym-strijckerijen;
Het is een Paradijs, een Paradijs voor my,
Daer ick, al knoeyende, my in Gods werck verbly.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Met duysenden van schreên niet om, noch door te schrij’en;
Verwondert ghy mijn vrund? Thien mergen is de maet,
Of daer ontrent, waer in dat Nimmerdor bestaet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Ten dienst van ‘t Land geschat op sulcke schatterijen,
Als ick gewilligh geef, en elck graegh geven sou,
Om ‘t veylige besit van sulck een groen lansdouw.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
De soetste Soet’larij van alle Soet’larijen;
Ick meyne voor het oogh, daer vindende in ‘t groen,
Al wat eens menschen oogh met vreughd sou konnen voên.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
De soetste vaes’larij van alle vaes’larijen,
Uyt Groenaerds groen gevockt, voor ‘t oogh so goet, so soet,
Als t aldersoetste goed, dat eenigh mensch ontmoet.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen,
De soetste Vog’larij van alle Vog’larijen,
Daer ick met vreugd, en winst, mijn koken daeghs mee spijs:
Wie buyten anders leeft, die leeft niet lands gewijs.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Een soeter winst voor my, als geen der Bood’marijen
Den Koopman geven kan, ick swijgh hoe ‘t vlottigh hout
Hem meerder steets, als my het wassende benout.
(fol. 20)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer ick thien dubb’le winst doe sonder woeckerijen,
Aen-winnende meer groens uyt eene Pingel-zaet,
Als thienmael thien op haelt, en wat daer boven gaet.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Een aller vog’len koy, daer ick geen Reygerijen
Voor kiesen sou, o neen! dat stadige getier,
En ‘t fleisen uyt haer poort veroorsaeckt geen playsier.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer ‘t oor niet word verdooft door een’ghe Schutterijen.
O neen! maer wel gestreelt met boomigh zee-geruys,
Ten lieffelixst gemenght met bleetend vee-gedruys.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Der vog’len sangh-toneel, daer men geen vuyle prijen
Van eenigh ongediert niet hooren sal soo langh,
Als ‘t oor daer word gestreelt met soeter vog’len sangh.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een By-hof om mijn huys, daer duysenden van Bijen
Den purp’ren Sparre-blos uytsuygen, om, getorst,
Een blijden honingh-oegst te brengen aen haer vorst.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Met geen beeld op gepronckt van oud’ afgoderijen;
Maer met my selfs verbeeld in een geschilderd Beeld,
Dat door ‘t versiende groen seer vreemt in d’oogen speelt.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Sagh dit de oude eeuw, sy hiel ‘t voor spoockerijen,
Gelijck de droncke boer, die laetstmael uyt sijn slaep
Geresen, stond en keeck als een bekaeyden aep.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat ick hier Leser meld’, en zijn geen lacchernijen,
Doorsoeckt van stuck tot stuck, wat hier geschreven staet,
Ick wedd’ ghy seggen sult, ‘t is half maer uyt gepraet.
(fol. 21)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Met Spar-run soo berunt, dat geen Leertouwe-rijen
Noyt half uyt-lev’ren sou, ‘t geen daeghs hier van ‘t geboomt,
Gelijck een beeck ten bergh af, nae beneden stroomt,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Niet mogelijck (segh ick) met duysenden van spijen
De openingh aldaer te stoppen van al ‘t groen,
Dat all’ d’uytkijckenaers al siend’ het oogh kan voên.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo steets doorgroent door all’ haer leden, en partijen,
Als ‘t Elyseesche veld, daer men van ouds af songh,
Dat voor geen Helden oyt het minste groen vergongh.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een groene Comenij van alle Comenijen,
Soo groenigh over al, als oyt ‘t ldaalsche dal
Voor desen was, nu is. of eenmael wesen sal.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Wiens lommer-rijcke groent’ beschutten, en bevrijen
Voor heete Sonne-schijn, voor regen, en voor wind
Den wandelaer, die sich daer manteloos bevind.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Waer in ick, sittende, de wand’laers kan bespijen,
Die wandelende daeghs, door mijne Laenen heen,
Naer Joncker Botters toe verlusten, en vertreên.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Alwaer ick best ontgae de stadsche suyperijen,
Vernoegende mijn geest met wandelen, en sien,
Dat onbekommert daeghs vol-vreughdigh kan geschiên.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Soo ick niet jocken sal, voor alle sufferijen
Den wandelaers soo goed, als nauw geen medecijn,
Dien yvers opter aerd’ mocht te bekomen zijn,
(fol. 22)
‘T is Nimmerder rontsom, van boven en ter zijen:
Voor der Bacchanten dol gespuys, en rasernijen
Soo t’eenemael bevrijt, als aengenaem om ‘t groen,
Dat boven alle dranck den Goden selfs kan voên.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Daer ick mijn tijd in kan versnipp’ren, en versnijden;
Versnijden met het groen, dat dagelijcx gemeen
Verwildert, en verwaeyt door mijnen Dool-hof heen.
‘T is Nimmerder rontsom, van boven en ter zijen:
Verkortende mijn tijd gantsch sonder fim’larijen,
Soo veel vermagh het groen, dat het ons geest ontruckt
De vuyle loggigheyd, die vaeck den mensch verdruckt.
‘T is Nimmerder rontsom, &c.
Wiens groene geurigheyd de swacke mijmerijen
Van ‘s menschen geest, en breyn, niet anders, als de lucht
De vuyle nevelen, verspoedight op de vlucht.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer sich een roof-stuck toont van alle roverijen,
Ick meyne voor ‘t oogh, ontsteelende ons hert
Met buyten-tijdsche vreughd, in ‘t volle groen verwert.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Geen soeter dievery, noch meerder stroperijen,
Als my, en elck een daeghs het Nimmerdorsche groen
Onhinderlijck vol vreughds, en sonder leet kan doen.
‘T is Nimmerder rontsom, van boven en ter zijen:
Waer niet by haelt al ‘t soet der Rosse-kammerijen,
Het jaerelijcx genot haers dorreloose groen
Mijn jaren, en mijn jeughd met meerder soet kan voên.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat boven alle soort der groene boome-rijen
Soo ver in groenigheyd het alles over-treft,
Als eenige Cypres sich boven Doorn verheft.
(fol. 23)

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een groen-bewolckte plaets, daer Bacchus inde Dijen
Van Jupijn wierd behoed, doen Semele (ontvrucht
Door Junoos jalousy) benard waer, en beducht.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
By my wel hoogh verhooght, doch sonder mommerijen,
Vertoonende alleen naer waerheyd, en recht uyt,
Wat Nimmerdor in heeft, wat Nimmerdor beduyt.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:[21]
Poëets gewijs van my, door woorde pronckerijen
Ten deele op-gepronckt, maer evenwel niet heel,
Dat sweer ick by mijn groen, en Adams appel-steel,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een Dansch-salet in ‘t groen van Satyrs Danserijen;
Daer elcke boom van ouds (soo ‘t schijnt) ten rey mee gaet,
Of, dat ick best geloof, gereet te dansen staet.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden:
Wiens hogen Pallem-bergh, als ick kom over-rijden,
Meer Sparre-toorens my in ‘t oogh rontsom vertoont,
Als d’Helyconschen top met Lauw’ren is bekroont.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Wie sou een sulcke groent’ ontvlieden, en ontrijden?
‘t Geen soo veel Vorsten en Vorstinnen ‘s jaers behaeght,
Als dagelijcx Auroor daer vogelen op daeght.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo ick noch langer rijm, val ick in narrerijen:
Ach! Leser help my thans nyt ‘t geen mijn geest verruckt,
Ick smoor, en smelt, soo my uw hulp misluckt,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Met Christalijne vloed, voor alle zeperijen
Soo nut, als ywers Son, of Maen, loof ick, beschijn,
Wie ‘t niet gelooft, voor my, ick g’loof daer van het mijn.
(fol. 24)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Met veel meer galms begalmt van Satyrs pijperijen,
Alsmen daer herders hoort, steets spelend’ op het riet,
‘t Geen door Syringa Pan ons eertijts achterliet.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Een Delphos voor Apol, met geen waer-seggerijen
Besoedelt, noch besmet; maer met het negental
Der Sangerinnen sangh door-galmt overal.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Niet minnend’ het bedrogh van vuyle wigh’larijen:
Haer groent’ is inderdaed, als elck voor oogen siet,
Soo ‘t dagelijcx oprecht aldaer ten hemel schiet.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Wat magh ick doch, helaes! dees groenheyts pappe bieden
Den Leser inde mond, my selver walght de spijs,
Hoe leckerlijck geschaft op eenderhande wijs.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Dat noyt ontheylight wierd door Klopsche klappernijen:
De heyl’ge eensaemheyd, een dochter van de stilt’,
Schuwt het geklap van sulck by een geschoolde Gild.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een wisse tegen-gift voor snoode guyterijen,
De besigheyt in ‘t groen (een vyand van het quaet)
Geeft nauw gelegentheyd, datm’ eenigh quaet begaet.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Soo t’eenemael bevrijd van alle keuterijen,
Als ‘t weelderigh doorgaens, om ‘t ruymige gepoot,
Dat wonderlijck gewasch verheerlijckt, en vergroot.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een vyand van het Hof, en Hofsche popperijen,
Natuer haet selfs doorgaens het ydele beslagh
Van ‘t op-gepronckte moy, dat oyt de wereld sagh.
(fol. 25)

‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Ke Leser leest noch wat in dees mijn dauw’larijen
Van Nimmerdor rontsom: ‘t is op een oor na toe,
Dat ick u met mijn Rijm niet meer sal vallen moe.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Te langh van my berijmt met all’ de sotternijen
Mijns Nimmerdorsche key: edoch verwondert niet.
Een yder heeft sijn key, schoon hy die niet en siet.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Dat Lambert Lambertsen maer schat voor lammerijen,
Om ‘t lijmigh-lammighe, langh-lompige Verhael,
Niet vreemt, soo hy ‘t daerom verwees na Portugael.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Ja rontsom Nimmerdor, het schijnt wel schasserijen,
Met Nimmerdor rontsom: doch evenwel het is,
En blijft, als ‘t was begroent in een gestaltenis.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer ick veel tijds verspil met groene knoeyerijen,
Om luye ledigheyd, de moeder aller quaet,
Te schuwen als de pest, die duysenden verslaet.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Met alle spel voorsien, behalven dobb’larijen,
Ick speel om tijd-verdrijf, dat is, om kleyn gewin:
Wie spelen wil met vreught, die slae dit voet-pad in.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:[22]
Daer ick geen leege tijd, noch vreughd my laet ontglijen,
Geprickelt door het groen: wie soo sijn tijd verspilt,
Segh Leser, of die niet schier heeft al wat hy wilt.
‘t Is Nimmerdor rontsom, &c.
Een stapeldom vol groen (ick wil geen neuterijen
Meer halen aen den dagh) een Remora voor ‘t oogh,
Een zeys-steen voor de ziel, een Iris van omhoogh.
(fol. 26)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Dat geen ongroene tijd, noch all’ de schemperijen,
Van alle menschen, noyt niet anders maken sal,
Alst is, en altoos was in haer vergroende dal.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Ja Nimmerdor oprecht (wegh erge potterijen)
Soo alsmen ‘t eerst bevind, soo vindmen ‘t voor altoos,
Dat is geduerigh groen, en nimmer Lenteloos.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Een aerds Tooneel, versien met soete groenerijen,
Vergroenende mijn hert niet anders, als de Lent
Het aerdrijck over al haer groensaemheyt in-prent.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Een Vrede-plaets, die door haer groene soeterijen
Het hert van Stuard selfs versoeten sou tot vree,
Ten minst’, loof ick, om die te mken daer ter stee.
‘t Is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Geloof my dit ick segh, ‘t zijn geen quack-salverijen,
Noch praetjens voor de vaeck, die Nimmerdor aen-gaen,
O neen! de daed kan selfs daer voor de waerheyt staen.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Hoe raeck ick Leser noch uyt all’ mijn talmerijen
Van Nimmerdor rontsom, dien ouden Koeckoecks-sangh?
Voor my, en u, loof ick, al over langh te langh.
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijen:
Daer ick in’t gild coor raeck van tijdsche dieverijen,
Soo seer verleyd my ‘t groen, dat ick my selfs verley;
Niet wetende, wanneer ick uyt mijn dichten schey.
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Dat ick vergeefs af beeld’ met all’ mijn Poesijen:
te zwak is mijnen geest, te krachteloos mijn drift:
een eindeloze groent’ eist eindeloze schrift.
(fol. 27)
‘T is Nimmerdor rontsom, van boven en ter zijden:
Wiens eyndeloore groent’ met kortheyt t’over-schrijden
Ick over-dienstich acht, ten dienste van het groen,
Soo ‘t waer is, dat goe Wijn geen Wijn-krans heeft van doen,
‘T is Nimmerdor rontsom, &c.
Daer ick het dan mee magh vol-eynden, en af-snijden.
‘t Is langh genoegh, dat dit mijn Leser al verveelt:
De beste vreught hy geeft, die kort en wel uyt speelt.

 
Verontschuldinge aen den Groen-greetigen
uyt-gelesen LESER.
Wat ick hier heb berijmt, dat kan uw’ oogh beoogen.
Al valt het vry wat langh, ick heb weer niet geloogen:
De waerheyt onverbloemt verveelt geen lange teem,
Alwaer de kortheyt selfs wel eer voor logens sweem.
Heer Teer-ooghs Danck-seggingh aen den
Dichter en den Drucker.
Dit groene Letter Dicht,
(Waer aen ick ben verplicht)
Versterrickt en verlicht
Mijn swack en oud gesicht,
Daer Bril-neus self voor swicht,
Met minder hulp bericht.
E. M.